Pleidooi voor doordachte innovatie

In Let’s Talk Innovation delen experts, beleidsmakers en innovators hun visie en inzichten over innovatie. Ontdek inspirerende gesprekken over trends, uitdagingen en baanbrekende oplossingen die de toekomst van de publieke sector vormgeven.
Omdat we iets kunnen, wil nog niet zeggen dat we het moeten doen:
Pleidooi voor doordachte innovatie
| door Nido. 2 december 2024
Nido zet haar reeks gesprekken voort om beter te begrijpen hoe innovatie in de publieke sector verbeterd kan worden. Dit doet ze door samen te werken met de academische wereld om gebruik te maken van haar uitgebreide kennis. Hadrien Macq is postdoctoraal onderzoeker FNRS (Wetenschappelijk Onderzoeksfonds) in politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Luik. Hij heeft ons twee uur van zijn tijd gegeven om onze horizon te verbreden.

Zijn onderzoek richt zich op twee hoofdthema’s: innovatiebeleid en de uitdagingen van burgerparticipatie. Deze thema’s maken hem tot een onmisbare gesprekspartner. Door deze twee onderwerpen te combineren, gaat zijn benadering verder dan enkel de theoretisering van innovatie. Hij verbindt concepten met de praktijken van de verschillende actoren die ermee aan de slag gaan, of het nu beleidsmakers zijn of degenen die baat hebben bij innovatiebeleid.
Welke definitie van innovatie geniet jouw voorkeur?
Hadrien: Etymologisch betekent innovatie iets nieuws, gekoppeld aan beweging. Het staat voor het vooruitgaan naar iets nieuws. Innovatie kan worden gezien als een radicale verandering, of als een opeenstapeling van incrementele veranderingen die leiden tot een aanzienlijke transformatie. Onze tijd wordt gekenmerkt door een ‘pro-innovatiebias’. Deze bias gaat ervan uit dat verandering inherent positief is en innovatie fundamenteel wenselijk. Historisch gezien had innovatie echter niet altijd deze connotatie.
In de 16e eeuw werd bijvoorbeeld het woord “innovatie” eerder negatief beschouwd, vooral in de debatten rond de Reformatie in Engeland, waar het een afwijking van het oorspronkelijke christelijke geloof aanduidde. Tegenwoordig wordt het woord bijna altijd geassocieerd met verbetering. Innoveren betekent veranderen om een ‘betere’ situatie te bereiken. Maar als je er nader naar kijkt, en rekening houdt met een diversiteit aan actoren en perspectieven, krijgt dat ‘betere’ verschillende vormen. Het brengt uiteenlopende praktijken en aanpakken met zich mee, zoals technologische innovatie ten opzichte van sociale innovatie.
En wat betekent innovatie in de publieke sector?
Hadrien: Voor mij ligt de interessantste vraag opnieuw niet in de theoretische definitie van innovatie, maar in de manier waarop ze wordt beleefd en begrepen door de verschillende actoren, hoe zij erover praten en deze omarmen.

Ik onderscheid twee soorten gebruik van het begrip innovatie in de publieke sector: interne en externe innovatie. Interne innovatie verwijst naar de transformatie van administratieve praktijken en procedures binnen organisaties. Dit zijn meestal initiatieven die erop gericht zijn deze praktijken en procedures “beter gestroomlijnd”, “flexibeler” of “reactiever” te maken, vaak in contrast met de “bureaucratische rompslomp”.
Externe innovatie daarentegen verwijst naar de transformatie van de praktijken van de publieke sector ten opzichte van haar omgeving. Vandaag de dag wordt dit vaak geassocieerd met het openstellen van de publieke sector voor nieuwe actoren (privébedrijven, startups, burgers, enz.) om nieuwe ideeën te integreren en de bestuursvormen te vernieuwen.
In dit kader wordt innovatie in de publieke sector steeds vaker gezien door de lens van participatie. Concepten zoals ‘co-creatie’ en ‘co-productie’ staan tegenwoordig centraal in het overheidsbeleid, dat burgers probeert te betrekken bij het besluitvormingsproces en de implementatie van hervormingen.
Niet innoveren, of besluiten om niet te innoveren, is een legitieme keuze op zich.
Wat zijn de valkuilen bij innovatie in de publieke sector?
Hadrien: Een van de grootste valkuilen is volgens mij de “pro-innovatiebias”, die geneigd is innovatie per definitie als voordelig te beschouwen. Deze visie verhindert dat men de cruciale vraag stelt: waarom zouden we moeten innoveren? De vraag naar innovatie moet worden gesteld in relatie tot de behoeften en lokale contexten. Het moet niet worden gezien als een dwingende noodzaak, een systematische oplossing voor complexe problemen. Soms is niet innoveren, of besluiten om niet te innoveren, een legitieme keuze op zich.
We merken vandaag dat de manier waarop we over innovatie dachten – en vaak nog steeds denken – problematisch kan zijn. Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog is innovatie gekoppeld aan het idee van vooruitgang, dat op zijn beurt nauw verbonden is met een liberaal, uitrekkend en op productie gericht economisch systeem. Innovatie wordt dan voornamelijk geassocieerd met technologische ontwikkeling. We bevinden ons echter op een moment in de geschiedenis waarin grondstoffen schaarser worden. We worden geconfronteerd met klimaatveranderingen en groeiende sociale ongelijkheden. Dit dwingt ons om de koppeling tussen innovatie en vooruitgang ter discussie te stellen. We moeten deze denkwijze in vraag stellen en er lessen uit trekken. Wat mogelijk is, is niet altijd wenselijk.
Wat mogelijk is, is niet altijd wenselijk.
Een tweede valkuil, zelfs als men innovatie als de juiste weg beschouwt, is de moeilijkheid om innovatie te verankeren. Vaak wordt bij een mislukte poging tot innoveren snel de schuld gegeven aan de actoren die deze moesten uitvoeren. Zo hoor ik vaak negatieve opmerkingen over een zogenaamde “weerstand tegen verandering”, wat zou betekenen dat veel mensen niet bereid of in staat zijn te innoveren.
Ik denk dat het nuttig kan zijn om te begrijpen waarom sommige mensen zich verzetten tegen een innovatieproject. Dit biedt een meer genuanceerd begrip van hoe innovatie zich lokaal kan ontwikkelen, of juist niet. Soms mislukken van bovenaf opgelegde beleidsmaatregelen omdat ze de lokale realiteiten niet begrijpen of ermee rekening houden. Het zou te eenvoudig zijn om die lokale realiteiten gewoon de schuld te geven.
Wat zijn volgens jou de sleutels om beter te innoveren in de publieke sector?
Hadrien: In lijn met wat ik eerder zei, denk ik dat we een balans moeten vinden tussen de mate waarop we nadenken en de mate waarop we projecten willen uitvoeren. Het is belangrijk om lokaal een debat op gang te brengen over de noodzaak van innovatie of een innovatieproject. Zo voorkomen we dat beleid wordt gecreëerd dat losstaat van de praktische toepassing. Ook de tijdsspanne van innovatie is belangrijk. We moeten nadenken over permanente experimenten en hoe we langdurige verankering kunnen realiseren.

Experimentele projecten zijn vaak noodzakelijk in een eerste fase, om buiten de kaders te denken en nieuwe perspectieven te openen. Maar als we verandering willen verankeren, moet deze fase overstegen worden, en dat is vaak een lastig punt. Het doel is om verder te gaan dan de logica van innovatie als louter experiment en om op lange termijn na te denken over het verankeren van wenselijke innovatieve praktijken.
Innovatie duurzaam maken betekent vaak dat we haar naar andere contexten moeten brengen en deze contexten verbinden met andere actoren die ermee aan de slag gaan. Hierbij zien we dat innovatie niet zonder meer kan worden overgezet naar een nieuwe context, zonder door die context zelf te worden getransformeerd. Om die overgang soepel te laten verlopen, moeten de doelen en methoden van de praktijken die we willen laten circuleren opnieuw worden besproken, zodat ze zo goed mogelijk aan hun nieuwe omgeving kunnen worden aangepast. Innovatie implementeren is een traag proces dat veel financiële, menselijke en tijdsgebonden middelen vereist, die we ervoor moeten vrijmaken om niet teleurgesteld te raken over het resultaat.
We beperken innovatie tot een tijdelijke oplossing die niet effectief genoeg is.
In dezelfde lijn denk ik dat het goed zou zijn om binnen overheidsinstellingen een visie op innovatie te ontwikkelen die losstaat van de timing van politieke mandaten. Binnen de overheid is de visie op innovatie in de publieke sector waarschijnlijk afhankelijk van ministeriële prioriteiten. Deze prioriteiten veranderen elke vijf jaar, of zelfs binnen hetzelfde mandaat. Maar om ruimte te maken voor een lokaal debat over innovatiekansen is tijd nodig. En ik denk dat het belangrijk is om een zekere basis te ontwikkelen binnen de overheid – een soort collectief geheugen van de visie op innovatie die ik hier verdedig – zodat deze niet telkens ter discussie wordt gesteld bij veranderingen in politieke prioriteiten.
Daarvoor moeten we afstappen van een situatie waarin innovatie wordt gezien als een noodoplossing, zonder voldoende middelen, voor fundamentele en urgente problemen die niet worden opgelost door een procedure te wijzigen of een nieuw hulpmiddel te implementeren. Anders beperken we innovatie tot een tijdelijke oplossing die niet effectief genoeg is. Het is ook belangrijk om onder goede omstandigheden nieuwe dingen te kunnen uitproberen: pas als je een zekere comfortzone hebt, kun je ruimte vinden om te verkennen of om trends te anticiperen die je werkterrein zullen beïnvloeden.
Burgerparticipatie en innovatie: modegrillen of echte oplossingen?
Hadrien: Het lijkt me essentieel dat de klassieke experts, degenen die in de administraties werken, gebruikmaken van wat we gebruiksexpertise noemen (de expertise die je hebt door je ervaring op de werkvloer). Op die manier kan er tweerichtingsverkeer ontstaan: van gebruiksexpertise naar de overheidsinstellingen, en vise versa. Burgerparticipatie kan een geweldige manier zijn om zowel de publieke besluitvorming te verrijken als de burgers te versterken.
Maar de manier waarop het wordt benaderd en uitgevoerd door de overheid, doet mij denken dat burgerparticipatie wordt gezien als een wondermiddel om het democratisch legitimiteitsgebrek op te lossen. Vaak leidt dit tot tijdelijke en ontoereikende oplossingen. Dit is echter niet genoeg om de kloof te overbruggen die steeds gevaarlijk groter wordt tussen de burger en de politiek: burgerparticipatie kan bijdragen als het goed wordt uitgevoerd, maar het is geen wondermiddel. We moeten niet vergeten dat er andere factoren zijn die de kloof tussen burgers en politici vergroten. Deze mogen niet uit het oog worden verloren.
Een goede praktijk om inspirerend af te sluiten?
Hadrien : Een voorbeeld van een goede praktijk is de ‘permanente burgerdialoog’ die in 2019 in de Duitstalige Gemeenschap is opgezet. Een burgerraad werkt parallel met het Parlement en formuleert aanbevelingen over verschillende onderwerpen die door de raad worden gekozen. Wat hier interessant is, is dat de overheid heeft beloofd dat elke aanbeveling van dit burgerforum zal worden besproken in een parlementaire commissie. Daarnaast zal de beslissing om een aanbeveling wel of niet uit te voeren, worden toegelicht aan de burgers. Deze permanente en sterk geïntegreerde democratische innovatie toont een vorm van burgerparticipatie die echt invloed heeft op het besluitvormingsproces.

Hadrien Macq benadrukt een fundamenteel punt: innovatie in de publieke sector moet niet worden gezien als een wondermiddel, maar als een weloverwogen keuze. Innovatie is geen doel op zich; ze moet inspelen op een vastgestelde behoefte en aangepast zijn aan de lokale omgeving.
Innovatie betekent niet noodzakelijkerwijs dat we alles wat mogelijk is ook moeten doen. In een wereld vol complexe uitdagingen is het belangrijk om de juiste keuzes te maken om te voldoen aan echte verwachtingen, zonder verstrikt te raken in een logica van constante verandering.